Cognitivisme De oorsprong van het woord cognitie is het Latijnse werkwoord cognoscere, dat weten of kennen betekent. ‘Cognitie’ is een verzamelwoord voor verschillende mentale processen, zoals waarnemen, herinneren, denken, interpreteren, geloven, probleemoplossen en bewustzijn. Ook aandacht en concentratie vallen eronder.
Waar bij behaviorisme vooral werd gekeken naar (uiterlijk en innerlijk) gedrag, beschouwt de cognitieve psychologie de cognitie zelf als onderwerp dat bestudeerd kan worden. Het is erop gericht om in kaart te brengen hoe we kennis verwerven, ordenen en gebruiken. De oorsprong van deze stroming was in de jaren vijftig, geïnspireerd door de opkomst van de computer werd een informatieverwerkingstheorie opgesteld, waarin de fases van het verwerken van informatie beschreven werden. Veel van de ontstane concepten zijn overgenomen uit de informatica, zoals informatieverwerking en informatiesystemen. Deze informatiesystemen zijn altijd een centrale rol blijven spelen binnen huidige cognitieve modellen.
Het verwerkingsproces bij opslag van informatie door de hersenen werd op de volgende wijze beschreven. De aangeboden informatie wordt verwerkt in het sensorische geheugen. Daarna komt het terecht in het korte termijn geheugen en bij het voldoende en herhaaldelijk verwerken in het korte termijn geheugen wordt de informatie uiteindelijk opgeslagen in het lange termijn geheugen. Hierdoor kon worden afgestapt van ‘herhaling, herhaling, herhaling’ als methode. Het bleek efficiënter om een taak te geven direct nadat de instructie gegeven wordt, zodat de gegeven informatie verwerkt kan worden.
Een ander voorbeeld van een verschijnsel dat is geconstateerd door cognitivisten is ‘verspreid leren’. Een gelezen tekst wordt beter onthouden wanneer er tussen de eerste en de tweede keer lezen meer tijd zit. Onderwijskundig psychologisch onderzoek heeft de toepasbaarheid bevestigd van andere ontdekkingen van de cognitieve psychologie, zoals het gebruik van ezelsbruggetjes voor onthouden van informatie. Howard Gardner Een van de bekende (maar niet onomstreden) psychologen uit deze stroming is Howard Gardner. Hij is geboren in 1943, 5 jaar nadat zijn ouders, die Joods waren, vanuit Nazi-Duitsland naar de VS waren geëmigreerd. Hij is zijn academische carrière heel breed begonnen, na vakken te hebben gevolgd aan zeer veel verschillende opleidingen is hij uiteindelijk cognitieve ontwikkelingspsycholoog geworden. Gardner is zijn gehele carrière verbonden geweest aan de universiteit van Harvard.
Het begrip intelligentie is volgens Gardner de bekwaamheid om een probleem op te lossen. In zijn basiswerk Frames of Mind: The Theory of Multiple Intelligences (1983) introduceert hij het begrip meervoudige intelligentie. Deze theorie is gericht op de verschillende manieren waarop mensen informatie het beste verwerken. Hij stelt dat dit niet voor iedereen hetzelfde is en dat dit resulteert in een verscheidenheid aan gebieden waarop mensen kunnen uitblinken en/of intelligent zijn. Hij maakt daarbij het onderscheid tussen de volgende intelligenties:
1. Interpersoonlijke intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om anderen te begrijpen.
2. Intrapersoonlijke intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om op jezelf te reflecteren en om voor jezelf realistische doelen te stellen.
3. Lichamelijke-motorische intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om goed met je eigen lichaam om te gaan.
4. Logisch-mathematische intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om snel logische verbanden te leggen.
5. Muzikaal-ritmische intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om gemakkelijk melodie en ritme te produceren
6. Verbaal-lingüistische intelligentie:
Deze intelligentie stelt je in staat om makkelijk te danken in woorden en gedachten goed te verwoorden.
7. Visueel-ruimtelijke intelligentie.
Deze intelligentie stelt je in staat om gemakkelijk in beelden te denken.
Argumenten voor de theorie van Gardner zien we terug in hersenonderzoek. Daarbij blijkt dat bepaalde gebieden in de hersenen gekoppeld zijn aan bepaalde functies. Wanneer een hersenbeschadiging optreedt, betekent dit niet perse dat iemand op alle gebieden minder gaat functioneren. Dit heeft te maken met het gedeelte van de hersenen waar de hersenbeschadiging zich bevindt. Hieruit zou afgeleid kunnen worden, dat verschillende gebieden in de hersenen inderdaad gekoppeld zijn aan verschillende vaardigheden en dus eventueel aan verschillende soorten intelligenties.
Er is natuurlijk ook kritiek op de theorie van Gardner geformuleerd. Een van de argumenten die Gardner zelf aanvoert ter ondersteuning van zijn theorie zijn de zogenoemde ‘idiot savant’. Mensen die buitengewoon intelligent op een van de bovengenoemde gebieden, maar onvoldoende functioneren op de andere gebieden. Uit onderzoek van Hill in 1978 blijkt echter dat maar één à twee op de duizend opgenomen mensen met een verstandelijke beperking in deze categorie valt. Als de intelligenties echt zo afgescheiden van elkaar zijn als Gardner beweert, zou men kunnen verwachten dat dit vaker voorkomt. In de praktijk lijkt het toch vaak zo te zijn dat de intelligenties meer met elkaar verbonden zijn dan Gardner suggereert.
Toch blijft de theorie van Howard Gardner interessant voor het onderwijs. In de praktijk van het onderwijs wordt namelijk duidelijk dat er niet één manier van informatie aanbieden is die het beste is voor alle leerlingen. Het pleit er voor om lesstof op verschillende wijzen aan te bieden zodat alle leerlingen de kans krijgen om de informatie te verwerken op een manier die bij hen past, en niet alleen de ‘logisch-mathematisch’ en ‘verbaal-lingüistisch’ intelligente leerlingen. Zoals in het boek ‘Effectief leren’ van S. Ebbens wordt aangegeven is het belangrijk om tijdens één les verschillende intelligenties aan te spreken. Men zou kunnen verwachten dat dit ook invloed heeft op de sfeer en orde in de klas omdat alle leerlingen zich op deze wijze aangesproken zullen voelen en betrokken zullen zijn. Literatuurlijst
Ebbens, S.; Ettkoven, S. (2009). Effectief leren. Groningen: Noordhoff Uitgevers.
Gleitman, H (1996). Basic Psychology. London: W.W. Norton & Company Ltd.
Steinberg, L. (1999). Adolescence. Mc Graw-Hill , Inc.
De oorsprong van het woord cognitie is het Latijnse werkwoord cognoscere, dat weten of kennen betekent. ‘Cognitie’ is een verzamelwoord voor verschillende mentale processen, zoals waarnemen, herinneren, denken, interpreteren, geloven, probleemoplossen en bewustzijn. Ook aandacht en concentratie vallen eronder.
Waar bij behaviorisme vooral werd gekeken naar (uiterlijk en innerlijk) gedrag, beschouwt de cognitieve psychologie de cognitie zelf als onderwerp dat bestudeerd kan worden. Het is erop gericht om in kaart te brengen hoe we kennis verwerven, ordenen en gebruiken. De oorsprong van deze stroming was in de jaren vijftig, geïnspireerd door de opkomst van de computer werd een informatieverwerkingstheorie opgesteld, waarin de fases van het verwerken van informatie beschreven werden. Veel van de ontstane concepten zijn overgenomen uit de informatica, zoals informatieverwerking en informatiesystemen. Deze informatiesystemen zijn altijd een centrale rol blijven spelen binnen huidige cognitieve modellen.
Het verwerkingsproces bij opslag van informatie door de hersenen werd op de volgende wijze beschreven. De aangeboden informatie wordt verwerkt in het sensorische geheugen. Daarna komt het terecht in het korte termijn geheugen en bij het voldoende en herhaaldelijk verwerken in het korte termijn geheugen wordt de informatie uiteindelijk opgeslagen in het lange termijn geheugen. Hierdoor kon worden afgestapt van ‘herhaling, herhaling, herhaling’ als methode. Het bleek efficiënter om een taak te geven direct nadat de instructie gegeven wordt, zodat de gegeven informatie verwerkt kan worden.
Een ander voorbeeld van een verschijnsel dat is geconstateerd door cognitivisten is ‘verspreid leren’. Een gelezen tekst wordt beter onthouden wanneer er tussen de eerste en de tweede keer lezen meer tijd zit. Onderwijskundig psychologisch onderzoek heeft de toepasbaarheid bevestigd van andere ontdekkingen van de cognitieve psychologie, zoals het gebruik van ezelsbruggetjes voor onthouden van informatie.
Howard Gardner
Een van de bekende (maar niet onomstreden) psychologen uit deze stroming is Howard Gardner. Hij is geboren in 1943, 5 jaar nadat zijn ouders, die Joods waren, vanuit Nazi-Duitsland naar de VS waren geëmigreerd. Hij is zijn academische carrière heel breed begonnen, na vakken te hebben gevolgd aan zeer veel verschillende opleidingen is hij uiteindelijk cognitieve ontwikkelingspsycholoog geworden. Gardner is zijn gehele carrière verbonden geweest aan de universiteit van Harvard.
Het begrip intelligentie is volgens Gardner de bekwaamheid om een probleem op te lossen. In zijn basiswerk Frames of Mind: The Theory of Multiple Intelligences (1983) introduceert hij het begrip meervoudige intelligentie. Deze theorie is gericht op de verschillende manieren waarop mensen informatie het beste verwerken. Hij stelt dat dit niet voor iedereen hetzelfde is en dat dit resulteert in een verscheidenheid aan gebieden waarop mensen kunnen uitblinken en/of intelligent zijn. Hij maakt daarbij het onderscheid tussen de volgende intelligenties:
1. Interpersoonlijke intelligentie:
2. Intrapersoonlijke intelligentie:
3. Lichamelijke-motorische intelligentie:
4. Logisch-mathematische intelligentie:
5. Muzikaal-ritmische intelligentie:
6. Verbaal-lingüistische intelligentie:
7. Visueel-ruimtelijke intelligentie.
Argumenten voor de theorie van Gardner zien we terug in hersenonderzoek. Daarbij blijkt dat bepaalde gebieden in de hersenen gekoppeld zijn aan bepaalde functies. Wanneer een hersenbeschadiging optreedt, betekent dit niet perse dat iemand op alle gebieden minder gaat functioneren. Dit heeft te maken met het gedeelte van de hersenen waar de hersenbeschadiging zich bevindt. Hieruit zou afgeleid kunnen worden, dat verschillende gebieden in de hersenen inderdaad gekoppeld zijn aan verschillende vaardigheden en dus eventueel aan verschillende soorten intelligenties.
Er is natuurlijk ook kritiek op de theorie van Gardner geformuleerd. Een van de argumenten die Gardner zelf aanvoert ter ondersteuning van zijn theorie zijn de zogenoemde ‘idiot savant’. Mensen die buitengewoon intelligent op een van de bovengenoemde gebieden, maar onvoldoende functioneren op de andere gebieden. Uit onderzoek van Hill in 1978 blijkt echter dat maar één à twee op de duizend opgenomen mensen met een verstandelijke beperking in deze categorie valt. Als de intelligenties echt zo afgescheiden van elkaar zijn als Gardner beweert, zou men kunnen verwachten dat dit vaker voorkomt. In de praktijk lijkt het toch vaak zo te zijn dat de intelligenties meer met elkaar verbonden zijn dan Gardner suggereert.
Toch blijft de theorie van Howard Gardner interessant voor het onderwijs. In de praktijk van het onderwijs wordt namelijk duidelijk dat er niet één manier van informatie aanbieden is die het beste is voor alle leerlingen. Het pleit er voor om lesstof op verschillende wijzen aan te bieden zodat alle leerlingen de kans krijgen om de informatie te verwerken op een manier die bij hen past, en niet alleen de ‘logisch-mathematisch’ en ‘verbaal-lingüistisch’ intelligente leerlingen. Zoals in het boek ‘Effectief leren’ van S. Ebbens wordt aangegeven is het belangrijk om tijdens één les verschillende intelligenties aan te spreken. Men zou kunnen verwachten dat dit ook invloed heeft op de sfeer en orde in de klas omdat alle leerlingen zich op deze wijze aangesproken zullen voelen en betrokken zullen zijn.
Literatuurlijst
Ebbens, S.; Ettkoven, S. (2009). Effectief leren. Groningen: Noordhoff Uitgevers.
Gleitman, H (1996). Basic Psychology. London: W.W. Norton & Company Ltd.
Steinberg, L. (1999). Adolescence. Mc Graw-Hill , Inc.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Cognitie
http://nl.wikipedia.org/wiki/Cognitieve_psychologie
http://www.natuurlijkleren.net/
http://en.wikipedia.org/wiki/Educational_psychology
http://www.howardgardner.com/